Peter de Voecht

Slachtvlinders (fragment)

v.
Ze wandele nog altij in deze koude strate.
Dennis neemt m mee naar iemand die hij kent. T is gewoon n plek zoals zovele
andere; t is gewoon iets om t doen, om t wachte op d nacht weg t drijve. E. weet nog
ni wa r zal gebeure, maar hij weet welke onuitwisbare zwerftochte t verwachte. Altij t
zelfde. Altij wa hij ni wilt. Maar nooit verandert.
T is koud buite, maar ni kouder dan eerder. R hangt n zweem van rege, nog altij
t beperkt om duidelijk t vatte. E. weet da t t begin is van veel meer. Nu is t slechts n
zacht kusse van doordringbaar water, als dunne huid. Later zal t n massieve muur van
geluid vorme, die zich op d stoep smijt, altij naar benede.
T zal regene, d storm zal kome. Hij wist dit d eerste keer da hij d vlinder zag,
door t vuile venster van zn douche.
Ze wandele over d gigantische brug, n hij denkt aan gistere, aan staan bij d
kolossale pilare, n al wa erna kwam. Hij denkt aan verdwijne in d donkere metale
oksel. Helemaal tot in d nacht. Helemaal tot in n wieg van teer. Opgekruld n huilend.
D wind is hier veel sterker n trekt aan hun kleren, razend, nijdig.
D vele meters onder hen. T water. Donkergroen, langzaam naar zwart. T vuil.
Hier zijn witte plastic flesse, flarde papier. Aan d rande van d stroom verzamelt
d rottende modder zich n duwt zn zware, kwade lichaam tege d stene waterrande.
Massalichaam van dik vuil.
Vol me takke, bladere, schuim. Menselijk afval.
Oevers van stort.
Minder dan n week gelede dacht hij hier nog n vis t zien, groot n traag n
twijfelend, vlak onder t glasachtige oppervlak. Nu is r niks meer. T water is dood, n
stinkt.
D overzijde van d rivier komt langzaam op hen af. Hier is alles lager n breder
gebouwd, alsof t t zelfde deel van d stad is als waar ze vandaan kome, maar dan
samengedrukt, bekeke door n geboge spiegel. Nergens nog grote gebouwe, nergens d
gedistilleerde geometrie van slanke verticaliteit. Hier, op d rivieroevers, uitgespreid
voor hen, hoge, logge krane n lage doorzichtige metale constructies, skelette, allemaal
functionaliteit; n massa van verspreide overweldigende containers, allemaal
opgestapeld; mammoetschepe, lang n leeg, opwaards deinend, neerwaarts, op d trage
note van t lelijke riviergroen; nooit enige beweging, geen kleine ( gure die zich n weg
erdoor schaduwe, geen bedrijvigheid, enkel t dode staal van industrie; n achter d
uitgebreide, lage wereld van d bijna verlate have, kleine huize, gestrooid in bruine
strate; fabrieke, chemische monsters, boomhoge vlamme, oude wolke die rond oude
schoorsteenpijpe slingere; allemaal verstoord.
Op t einde van d brug, voorbij die overspanning van meer dan n kilometer,
vinde ze zichzelf gegrond in n opmerkelijk andere wereld.
Stiller.
D stilte van t losstaan, n stilte van ergens anders t zijn, ni langer dicht bij t
centrum van alles. N onevenwicht, hangend. Nooit los van d aantrekking van d
zwaartekracht die d andere kant vertoont. Maar geen toevluchtsoord hier, geen
toevluchtsoord ergens anders. T is gewoon anders, hier, deze brede, stille strate. N
zelfs al is niks vergelijkbaar n is r niks herkenbaar, is alles t zelfde.
Ze slaan n andere laan in, n dan n smalle straat, n dan nog strate, terwijl ze tusse
d stene verdwijne, tot ze d drempel van t huis bereike waar ze moete zijn.
Hij denkt aan hoe dit voor m klinkt. Da hij. Daar. Moet zijn.
Voor d deur. Hoe ze.
Alsof hij zou. Dennis kunne vertelle, vandaag ni, n. Terugkere. Voor n enkel
moment.
N jonge man doet d deur ope. N vriend van Alex. Hij was r gistere ook bij.
Alsof zo. Lang gelede.
Hij knikt, laat hen binne. N inkomhal die enkel n vuilnisbelt is. Lawaai.
N grote kamer. Mense hier n daar, bewegend, zittend. Pratend, of stil. Luide
muziek die n taal spreekt. Staccato machinegeweer rateldrums n scherpe boventone
van n onvatbare melodie. Vreemde glimlache, alsof ze ni. Beter wete. Hande. T trage
geschuifel van contourvoete in halfduister van geen schatbare diepte. Dodecafonische
ruimte. N hange van jonge schaduwe. Die door elkaar bewege. Kruipende oude ziele
die in buiksprekerstemme prate. Allemaal opgebroke, mompelende klinkers. Allemaal
verlore in t schimmige lampverlichte duister. Vanuit d kamers naast d deze, geluide
van meubels die verschuive, kapot gaan. D bedrijvigheid die verlore was buite.
T is n vreemde wereld, van door elkaar kruisende gezichte n vluchtige woorde,
n cluster van ontspoorde wezens die bewege naar n enkele zin van waarheid in d hoop
da ze dezelfde emotie spreke; n massa van verschil; kakofonische harmonie. T is n
vreemde wereld die door n vreemd verhaal van gevolge d zijne is geworde. Hij vraagt
zich nog altij af.
Hoe hij.
Waarom hij.
Hij moet zn geest nu tot rust brenge, want hij wil zinke in t ritme van deze ruw
ademende wezens. Hier heeft geen zin na t denke over oorlog, eindeloze herhaling,
vuil, stank, teer. Want ze zien enkel wa van hen verschilt. N hij wil zo ni langer. Zijn.
Zinke.
Diep onder d.
Rivier.
Zink.
Wa zou ze van m denke als ze m hier zou kunne zien, omringd door hen aan wie
hij zich ni kan aanpasse, maar t toch blijft probere, want r is niks anders meer. Zou ze
m hate omda hij hier is. Zou ze m begrijpe, terwijl hij schuifelt op zoek naar n plek.
Hopend da hij n enkele keer zn geest van zichzelf zal kwijte n probere. + uis t hore
waar hij ni thuishoort.
Dennis gaat op zoek naar enkele mense die hij kent, n E. stapt door n oliezee
van bene n arme van mense die op d grond ligge, n zit neer in n zetel waarvan d
vulling zich n weg naar buite heeft gevonde, na jare n jare van probere. Hij kijkt naar
d gezichte van hen die m omringe.
N jonge man die tege n andere praat, zielloos, woorde kauwend die geen schijn
van vorm of betekenis drage. D ander staart doelloos in d verte. Nu n dan voegt hij n
woord toe, valt dan weer stil. Ze prate. Ze denke da ze prate.
N meisje, haar scherpe gezicht op d benige schouders van n jonge man, E. weet
ni hoe jong ze zijn. Ze prate ni, ze luistere ni. Ze voele ni hoe echt ze op elkaars
lichaam bestaan. Hoe ze. Hoe zo t negere. Zelfs d minste aanraking.
Drie manne op d grond, langzaam bewegend op d schrille ritmes die door d
kamer zandstorme. Ze trommele hun hande op hun borste, geve drank door, ete
onbepaald voedsel. Prate enkel om tevrede t stelle; prate enkel om zichzelf gerust t
stelle.
Mense die door d kamer bewege. Aanhoudend getij van beweginge. Schudde E.
voortdurend tot besef. Gezichte. Niemand durft glimlache, t lache. Wie zou n
zwakte. Wille blootgeve. Allemaal veilig in deze onveilige plaats, allemaal denkend
da ze hier beschermd zijn. Allemaal hore ze hier thuis, waar ze ni thuishore.
K kijk op deze mense neer, beseft E. plots. K kijk op hen neer alsof k zoveel
meer waard ben. N da ben k ni.
Waarom zoude al deze mense prate over. Dinge waar hij bang voor is. Vuil,
teer, chaos. Waarom over d oorlog prate, d oorlog, binnenkort hier. Waarom zoude ze.
R is niks da hij hen kan verwijte. Ze zijn hier omda ze op zoek zijn naar beschutting.
Hier omda ze hier wille zijn. Hijs degene die hier ni wil zijn maar r niks aan deed om
t t voorkome. Hijs degene die d wereld gevormd wil zien naar d lijne van zn hand.
Alsof iemand gewoon zou kunne zien wa in t kleine appartement van zn geest zit,
zolang ze maar d tijd zoude neme lang genoeg t kijke. Zolang da ze. Dichter zoude
kijke.
Want wa me. T afsluite da hij in stand houdt. Nooit toelate.
N hijs hier voor geen duidelijke rede, n hij zit hier, want das hoe hij zichzelf
toelaat af t sterve. R is enkel E. die dit doet. Bij zichzelf. R is niemand anders in t
kadaverpark van zn geest die bome neerhaalt behalve hijzelf.
N meisje in d zetel naast m. Droomt, weg in d. Verte. Haar horizon opgenome
door t papier da zichzelf ontrafelt op deze mure.
Haar oge naar bove, naar gebarste plafonds. Zacht tege zichzelf pratend, alsof
niemand anders. Niemand anders.
Weeft zichzelf in n veilige sluimer, versluiert zichzelf in n warme waas, voelt
zichzelf beschermd, terwijl ze alles behalve geborge is.
Niemand anders in zn kadaverpark. Zn hande verzieke d bome.
Ook al weet hij da hij zoveel meer is dan dit.
Hijs hier.
T meisje in d zetel naast m. Droomt, weg in d.
Haar oge half geslote.
Waarom heeft ze. Hij vraagt zich af. Waarom heeft ze. Deze lange hare.
Wiegende golf donkerbruin. Benede tot voorbij haar schouders. T maakt t erger. Alsof
zoveel fragieler. Alsof zoveel meer zoals.
Hij mag ni denke aan.
E. haalt langzaam adem, diep. N verscheidenheid aan geure, n stank
samengesteld uit andere. Rond m, in deze kamer. Alsof r niks buite is, niks buite dit
huis.
Hij kan ni denke me dit lawaai. Hij denkt enkel dit lawaai.
Hij kan alleen maar doen wa d andere doen. Hij verplicht zichzelf hier t zijn, t
hange tusse twee plaatse. T lawaai worde. Deel van iedereen rond m worde. Nog n
afgebroke tak in t dikke vuil van d olieachtige oceaan die t enkele massalichaam van
deze enkele ruimte samenstelt. Mense drinke, mense roke, lege gesprekke, korte n
naakte aanrakinge, lichte aan n uit, lage lichte, lichte me hoog contrast, korte grijnze
alsof toegestaan. Nooit n glimlach.
Al die mense hier op deze planeet, denkt hij, n geen van hen. Geen van hen.
Heeft r ooit om gevraagd.
N dan, door d fluwele mist van d kamer, d hand van t meisje.
Hij voelt voor hij ziet.
Haar hand op zn. Schouder.
Hoe lang gelede d aanraking die doet denke aan.
Hij kijkt naar die hand, die vuilgenagelde, gemergelde, spinachtige maar ook.
Onmiskenbaar vrouwelijke hand.
Alsof r niks buite deze zetel is.
Hij vangt zichzelf in haar oge, verdwaasde halfgeopende oge, groene donkere
halvemane die enkel ruste op hoe hij eruit ziet, ni op wie hij is. Oge die hier ni
thuishore, ni bij haar hore, n nog minder bij m. N hij verandert. In n parallaxhorizon,
same me haar, n hij laat opnieuw toe, zonder zich t moete dwinge; zinkt in me haar.
Die rivier van zacht. Want hijs hier, hijs onbetwistbaar hier, n hij kijkt nog altij naar
haar, voorbij wa hij wilt, voorbij wa hij zo lang al gedaan heeft, n hij vertrouwt erop
da dit is wa wordt, n hij geeft op, hij geeft op, n zoekt zo intens naar die geluidloze
oase tusse haar arme da hij zou kunne huile, n hij beweegt dichter naar haar, ruikt
haar bijna, bijna, n hij haat haar lange hare, n hij haat hoe ze niks meer dan dit is, n hij
weet da hij haar in zn hoofd Nyx moet noeme, want ze is ook maar n kind van alle
chaos, ondubbelzinnig hier, ook, n omda ze ook niks is, niks behalve haar geringe
zelf, behorend aan die stad die alles n iedereen zo hier maakt, n vandaag.
N hij weet da ze ook.
Vroeger. Is.
Soms moete r geen verklaringe zijn. Soms moet r ni veel zijn. Soms moet r
helemaal niks zijn. Maar hij voelt, nu, hoe sterk hij naar dit meisje verlangt. D
aanraking van n lichaam. Langzame woorde van huid. Hij wil dit zo verschrikkelijk
graag voele. Die omarming. Toegeve aan d adhesie, d eenzaamheid van zn natuur, t
blijvende verbreke, d dag verbanne in d schaduwe erachter, eronder. Hij zou alles
doen om zn kadavergestel t voede me d adem van n ander. Hij zou zelfs stoppe me
denke als t.
M zou late voele.
Hij weet hoe andere ni zoude stoppe, ni zoude. Denke. Hij weet da dit ni is wie
hij. Is.
Maar hij verlangt zo.
N hij moet zijn.
Al is t maar om zichzelf t bescherme.
Laat haar me bescherme, weet hij.
Laat haar.
We moete.
Ze moet zijn.
E. staat op, laat zichzelf achter in d zetel, biedt haar zn beide hande aan, n neemt
haar mee me m, laat haar m mee me haar neme.
In d gang, nog altij geluide van andere. Overal mense, nu enkel n canvas,
statisch geruis in d achtergrond. E. n t meisje vinde n kleine kamer die leeg is, op n
oude matras op d vloer na. Barste in d muur. N lege groene fles.
Groene oge.
R is n klein raam. Donkere dag buite, alsof voortdurend nakende nacht.
Rege op. T glas.
Haar hande trekke m, dwinge m mee. Ze stelt meer dan enkel die ijdele droom
voor, richtingsloos. Ze lijkt nog altij tege zichzelf t prate, mompelt eenzame
lettergrepe die m nooit bereike. N dan is r t besluit. Zoals hongere diere die menselijk
probere blijve; zoals mense die dierlijk hope t worde; zoals zo veel n zo weinig op t
zelfde moment, wille ze hun schaduwe in elkaar verplaatse. Complemente. Omarme.
D drang om zich weg t trekke n in elkaar t verdwijne. T schuiloord van d nood; d
nood aan n schuiloord. Tot t elke van hun eigenhede overwint n hen ontloopt. Tot ze
niks meer zijn. Tot r niks meer overblijft.
Hij weet da dit is wa hij zal doen.
Ademend op haar gezicht.
Vindt da. Zachte. Van haar mond.
N dan d brutale waarheid van haar tong, n hij denkt, n hij denkt, dit is nu, dit is
wa k nu voel, n t is niks anders, n t is al gebeurd, n k ben nu hier. D werkelijkheid van
dit alles bedwelmt m nooit. T drijft m aan. Smachtend. Eenzaam. Verlangend. Ze
ademt in zn oor, n adem die hij morge vergete zal zijn. N adem die hij zo nodig heeft.
N adem die hij zo sterk vergete is.
Haar hande overal. Op zn huid—koude vingertoppe. Nagels. Versplinterd glas.
Hij zwerft weg, terug in d douche die ochtend, naar zn eige vingertoppe, d
vertrouwdheid van t zoeke naar die andere, onvertrouwde hande; nu zijn ze hier, n hij
weet da dit ni is. Nooit is.
Hij kijkt in haar oge, kort, n ziet niks.
Zelfs ni t groen.
Hij wil da t nooit ophoudt, allebei staan ze nog altij in deze kleine kamer, maar
nu al d wanhoop, n hij graait naar haar lichaam zoals ze naar t zijne graait, hij vindt
haar klere, haar achterste, d hoekige rondinge, hij weet da ze dit lichaam ni zal hebbe
da hij zich herinnert, enkel t hare, n hij graaft eronder, tot hij ook. Haar huid onder zn
vingers. Ni om t verberge.
Hij voelt haar buik, mager maar zacht, n haar rug; hij woedt op tot haar kleine,
uitgehongerde borste, n hij weet, hij voelt, n dan ziet hij. Die huid, terwijl ze, geslote
oge, m nog altij vindt n m vindt n zelfs ni weet da ze naar m op zoek is. Hij ziet die
huid. T bleke. Me kneuzinge, blauw, vergelend, donkere kleure, van vorige nachte,
van vorige dage, zoals op zn lichaam, n hij weet, hij weet, r is geen ontsnappe want
ook zij heeft deze stene gevoeld, heeft deze vuiste gevoeld, d samengestelde veelheid
aan vuiste die in deze stad leve, n E. weet da ook zij beschadigd is, aangeraakt,
kwetsbare vleugels.
N dan t besef.
Terwijl ze neerzinke op d matras. Terwijl ze dichter probeert t kome, zich
dichter bij m t begeve, n hij ziet d. Kringe onder haar oge. Asgrauwe kleur van haar
gezicht. D korrelige contraste die ze zou hebbe als ooit n foto. Hij ziet ni wa ze is
geworde. Hij ziet wa ze had kunne zijn.
Voor da ze.
Hoe ze op blote voete zou gelope hebbe. Nieuw gras onder haar. Zomeroge.
Nog altij halfgeslote, maar halfope voor d wereld. Trage zonnestrale. N glimlache. Ze
zou geglimlacht hebbe. Hij ziet haar danse. Of ligge op t. Haar rug nog altij zo.
Geraakt door enkel. Zacht. Groen.
Ze zou alle focus verlieze. Wazige omgevinge n nieuwe begindage. Nog altij
dromend weg in d. Boomomlijnde verte. Maar omda ze daar zou wille zijn, ni omda
ze.
Ze zou misschien ni veel van d wereld opgemerkt hebbe, maar tenminste. Zou
ze daar geweest zijn. N mense zoude haar late zijn. Daar.
Voorda ze.

Peter De Voecht (1982) rondt zijn proefschrit af rond stadsrepresentatie en identiteit in The New York Trilogy van Paul Auster en Martin Dressler van Steven Millhauser aan de Universteit Antwerpen. Slachtvlinders is zijn eerste, voorlopig onuitgegeven roman, waarvoor hij ook de Engelse vertaling, getiteld Butcher Flies, heeft verzorgd. Hij schrijft momenteel aan zijn tweede roman, genaamd Midland. 

.