Van de redactie

 

 

Een spel met begrenzing en ontgrenzing, exces en vernietiging – als dit nulnummer van Samplekanon een thema heeft, dan laat het zich wellicht met die woorden karakteriseren. Zo opent het nummer opent met twee gedichten van Cağlar Köseoğlu, die in Samplekanon zijn debuut maakt. In ‘34’ en ‘Conclusies en calamiteiten’ wordt de alledaagse taalterreur minutieus op afstand gehouden, om toch steeds weer het gedicht binnen te sijpelen. Niet voor niets komt de noodtoestand in de titel eerst nadat de gevolgen kenbaar zijn. Dat wil niet zeggen dat de gedichten louter abstracte constructies zijn: ‘34’ is ook een gedenksteen, die verwijst naar het aantal civiele doden dat viel bij een aanval van het Turkse leger in het grensgebied van het zuidoostelijke Uludere.

Minstens zo concreet maakt Harry Vaandrager het, in de delirante monoloog ‘Hatchi Kenatchi’ die hij voor dit nummer schreef. En toch, hoe aards ook, de verlokkingen van het vreemde, andere en hogere zijn hier niet ver weg: ‘Zo ga ik volledig, als een mysticus, op in mijn stront’. Martijn den Ouden neigt naar het absurdisme in ‘Žižek’, een tekst die zomaar eens een readymade kon zijn, of een verward politiek commentaar. Dichter en vertaler Jan H. Mysjkin liet steeds een ander gedicht van zijn hand, vijf in totaal, overzetten naar steeds een andere Europese taal: Roemeens, Frans, Sloveens, Servisch en Engels. Uit de gedichten zelf mag blijken dat de dichter zich nergens helemaal thuis wil voelen: ‘Behagen omdat je uit Parijs komt, zetel van alle eleganties, enz.’ Tegelijkertijd laat dit meertalige panorama iets zien van de internationale en grensoverstijgende ambities van Samplekanon.

Ook Maartje Smits is een grensganger, en niet alleen tussen verschillende talen, maar ook ‘tussen fictie en documentaire, observatie en infiltratie’, zoals zij het zelf formuleert. Reden voor de redactie om Smits op missie naar het Haagse Binnenhof te sturen. Van haar bezoek deed zij verslag in dreigend videoproza, dat eerder de diffuusheid van de macht dan zijn concentratie laat zien. Even aards als het proza van Vaandrager is de geritmeerde taal van debutant Peter de Voecht, al lijkt het verderf bij hem door de woorden heen te schemeren: ‘Aan de rande van de stroom verzamelt d rottende modder zich n duwt zn ware, kwade lichaam tege d stene waterrande. Massalichaam van dik vuil.’ De alledaagsheid van Köseoğlu treffen en we in zekere zin ook aan bij Mark van der Schaaf, die in zijn nieuwe flarfreeks ‘Governing Through Harm Reduction to Promote Liberal Values’ inzichten uit Mao’s Rode Boekje sampelde: ‘Al wat reactionair is, is hetzelfde: als je het niet raakt, valt het niet om.’ Wat er ondertussen in het doodnormale leven van de hedendaagse heteroseksuele blanke man gebeurt – of liever: niet gebeurt – lezen we bij Van der Schaaf.

Dit nulnummer besluit met enkele asemische gedichten van Jürgen Smit – gedichten dus waarin de grens tussen betekenisvol en betekenisloos, tussen beeld en tekst meermaals wordt overschreden. Jürgen Smit experimenteerde op Facebook en elders al met deze nieuwe schriftuur. Deze publicatie is ook meteen een preview op het volgende nummer van Samplekanon, dat in zijn geheel gewijd zal zijn aan asemisch schrijven. Zijn we ook meteen van die hatelijke nul af.