Dirk Vekemans

De komende weken verkent Samplekanon aan de hand van het asemisch schijven, oftewel ‘een schrijven zonder specificieke semantische code – zonder vaste betekenis, open voor interpretatie.’ (Michael Jacobson) de grenzen tussen het betekenisvolle en het betekenisloze. Dit tweede nummer, dat de komende weken zal aanwassen en voortgroeien, bevat werk van a rawlings, Dirk Vekemans, Jürgen Smit en Jaap Blonk, en interviews met Tonnus Oosterhoff en Michael Jacobson – een spilfiguur in de internationale asemische scene. Tot slot zullen Sake van der Wall en Menno Lievers zich over de taalfilosofische implicaties van het asemische schrijven buigen.

De tweede bijdrage aan het nummer is van de Vlaamse dichter en internetpionier Dirk Vekemans. Vekemans is een radicaal lyricus wiens asemische schrijven een frontale aanval is op het monumentale bouwwerk van de literatuur. Wat hij na de dood van het symbolische aantreft, leest u onder meer hieronder.

Aan elke zin ontheven – Asemisch schrijven als uitzonderingstoestand

In Etat d’Éxception, het tweede deel van Giorgio Agamben’s Homo sacer-cyclus, komt op een bepaald moment het door Walter Benjamin in 1919 besproken concept van het ‘zuivere geweld’ voor (‘reines Gewalt’) ter sprake, een vorm van geweld dat niet langer ter ondersteuning, of ondermijning van het gezag plaatsvindt, maar als dusdanig: een ‘zinloos’, puur geweld dat telkens weer opduikt in de Staat van Uitzondering, de soeverein gedeclameerde uitzonderingstoestand die de juridische orde tijdelijk buiten spel zet. De (mis)daad in die toestand maakt niet langer deel uit van de set van daden die door het juridische systeem beoordeeld kunnen worden, ze spelen zich af buiten het binnen van de juridische orde. Heilig is de mens als hij buiten het menselijke is gesteld, en vervolgens op onmenselijke wijze mag vernietigd worden.

Op pagina 104 van de Franse vertaling citeert Agamben in dat verband Benjamin als volgt:

“La purité d’un être n’est jamais inconditionnée, ni absolue, elle est toujours soumise à une condition. Cette condition diffère chaque fois en vertu de l’être dont la pureté est en cause ; mais jamais cette condition ne réside dans l’être lui-même. Autrement dit : la pureté de tout être (fini) ne dépend pas de lui-même […] Pour la nature, c’est le langage humain qui est la condition même, située hors d’elle, de sa pureté (Benjamin 6, 205-206).” (1)

Dit fascineert Agamben omdat het op exemplarische wijze de topologie verwezenlijkt die hij in deze cyclus (en daarbuiten) bijna dwangmatig op het spoor is en conceptueel wil ontwikkelen. De topologie is die van een naar binnengehaald buiten, een toch duidelijk absoluut gedachte exterioriteit die de interioriteit produceert, een buiten dat het binnen tot binnen maakt, een uitzondering die tegelijk fundament is van de wet.

Stel: ‘asemisch schrijven’, het geheel van grafisch-literaire experimenten, de creatieve ondernemingen die sinds 1997 onder die naam opgang maken, is een vorm van ‘puur schrijven’, een schriftuur die zich in die uitzonderingstoestand bevindt, die elke vorm van betekenis achter zich heeft gelaten. Een schrijven dat sacraal en gedehumaniseerd is, want los van elk (bestaand) systeem dat het geschreven teken met betekenis verbindt en verbonden houdt. Een gelijkaardige topologie kun je ontwaren omtrent de pure praktijk van het asemische schrijven. De asemische schriftuur wordt het buiten van de orde van het geschreven woord, een orde die tegelijkertijd (‘à la fois’, dat Derridiaanse trekje is ook bij Agamben verplicht) verworpen wordt. Hoe ga je daarmee om dan?

Negatief: de auteur was al dood, de zombies schreven decennia lang voor een afwezig publiek, maar nu is de échte noodtoestand van kracht: het schrijven wordt een puur schrijven, waar alle handelingen van het schrift worden gesteld (manueel, grafisch en/of digitaal) maar betekenisloos, een deels nostalgisch, deels wanhopig, deels contesterende voortgang van de activiteit nadat elke zin ervan ontheven is.

Positief: de literatuur, een vrij recent, hopeloos romantisch en uiteindelijk erg reactionair begrip, dat vooral zin had in een burgerlijk-kapitale orde, is ontspoord in de productie van mediageniek entertainment en de daaruit als ongewenste gasten verwijderde schrijvers gaan gewoon door in een post-literair schrijven, een literatuur under erasure, een buiten dat zichzelf middels een ultiem gebaar in de fictie van haar binnen wegschrijft.

Een bewaring, niet van enig geschrift van betekenis, maar van de beweging van het schrijven zélf. Het schrift ontdekt zichzelf op de muur waar het op doodloopt.

Mijn werk heeft met de door Agamben beschreven methode van Foucault (2) gemeen dat het exemplarisch poogt te zijn: het voorbeeld is telkens een initiëring van een klasse, het paradigma van een serie die zich naar voorbeeld van het voorbeeld vormt. “Difference making a difference” (Gregory Bateson). De praktijk is daarbij van belang, de creatie. Het resultaat is secundair afval, artistieke garbage, een materieel verwaarloosbaar spoor, het lijk, de lege huls van een gedachtegang.

De bovenstaande werken, “sensuous invocations, blissful execrations” getiteld, zijn zo’n spoor van een afgelegd traject, een asemische zoektocht door een deze keer evident oosters landschap, waarin het teken niet in de eerste plaats iets betekent op het wit van het blad, maar waar het afdaalt uit de volheid van het Al om in de maya van deze wereld op sensuele, wanhopig spartelende wijze van dat Al te willen getuigen, het buiten dat het binnen infecteert met het betekenisloze binnenstebuiten van de zin.

dv, 25/09/2012 @ 22u30

(1) Giorgio Agamben, Etat d’Exception, Parijs 2003.
(2) cfr. Giorgio Agamben, Signatura rerum, Parijs 2008.