Jaap Blonk

De komende weken verkent Samplekanon aan de hand van het asemisch schijven, oftewel ‘een schrijven zonder specificieke semantische code – zonder vaste betekenis, open voor interpretatie’ (Michael Jacobson) de grenzen tussen het betekenisvolle en het betekenisloze. Dit tweede nummer, dat de komende weken zal aanwassen en voortgroeien, bevat werk van a rawlings, Dirk Vekemans, Jürgen Smit en Jaap Blonk, en interviews met Tonnus Oosterhoff en Michael Jacobson – een spilfiguur in de internationale asemische gemeenschap. Tot slot zullen Sake van der Wall en Menno Lievers zich over de taalfilosofische implicaties van het asemische schrijven buigen. 

Jaap Blonk (1953) is klankdichter, stemkunstenaar en componist. Daarnaast heeft hij zich de laatste jaren steeds meer toegelegd op visuele poëzie. In Samplekanon publiceren we enkele visuele werken: van een esthetisch neergeschreven klankgedicht, tot een tot waarheid verminkte afbeelding. Ook sprak onze gastredacteur Sake van der Wall met hem over zijn werk.

This slideshow requires JavaScript.

‘Het laatste restje betekenis eruit halen – om de essentie bloot te leggen’

Interview: Sake van der Wall, 13 september 2012

‘In een poëzieworkshop in Utrecht in 1977 leerde ik een klankgedicht van Hugo Ball kennen en kort daarna de Ursonate van Kurt Schwitters. De tekst legde ik thuis op een plank om hem af en toe te oefenen. Na ongeveer twee jaar heb ik hem voor het eerst voorgedragen, op een feestje van vrienden – één van hen had gehoord dat ik hem uit het hoofd kende.

‘De kennismaking voelde als een soort thuiskomen in niemandsland. De vrijheid van Dada sprak me aan: het totale gebrek aan regels, de humor en het niet respecteren van schoonheid. Schwitters kreeg overigens van andere Dadaïsten te horen dat zijn Ursonate regressief was, omdat hij gebruik maakte van oude vormen. Maar juist die vormen maken het gedicht sterker, je kunt er als uitvoerende losser mee omgaan.

‘Ik ging zelf klankgedichten schrijven. Eerst noteerde ik ze in het gewone alfabet, maar dat had allerlei beperkingen. Ik probeerde dit te overkomen door bij de letters te schrijven hoe je ze moest uitspreken. De R zoals in het Duits bijvoorbeeld. Om alle klanken te kunnen gebruiken, ben ik uiteindelijk overgestapt op het International Phonetic Alphabet.

‘Schrijven werd hierdoor echter moeilijker. Het fonetisch alfabet kent zoveel verschillende klanktekens, dat de mogelijkheden onuitputtelijk zijn. Ik kreeg een writer’s block. Ik ben eruit gekomen door mogelijkheden in te perken, bijvoorbeeld door fonetische etudes over één letter te schrijven, waarbij bijvoorbeeld alleen de letter R op zoveel mogelijk verschillende wijzen wordt uitgesproken.

‘Fonetische partituren zien er esthetisch uit. Het aanzien van de bladspiegel komt voort uit klank. De lengte van de regels komen overeen met de lengte van een reeks klanken, de witregels met de lengte van pauzes.

‘Dat ik de laatste jaren steeds meer visuele poëzie ben gaan schrijven, heeft te maken met wat in het Duits Geläufigkeit heet. Ik heb het fonetische alfabet zo vaak gebruikt, dat ik de tekens steeds makkelijker kan opschrijven. En hoe sneller je gaat, hoe eerder je uit de bocht vliegt. De tekens begonnen onder mijn handen een eigen leven te leiden, totdat ze niet meer overeenkwamen met waarvoor ze waren uitgevonden.

‘Binnenkort komt Traces of Speech / Sprachspuren uit. Het bestaat uit een boek en een CD, met klankomgevingen: meerstemmige combinaties van stem en elektronisch geluid. Het boek heeft zeven afdelingen waarbij in iedere afdeling één term centraal staat, bijvoorbeeld Truth. Bij die term heb ik een visueel gedicht gemaakt op karton, waaruit de rest van de afbeeldingen, elektronische klanken en teksten voortkomen.

‘De originele tekening, Truth 1, heb ik gescand en ingevoerd in een tekstherkenningsprogramma, in OCR, om er totaal iets anders van te maken. Het laatste restje betekenis probeer ik eruit te halen. Daarna heb ik de tekening gevouwen en nog eens gescand (Truth 3). Door de afbeelding steeds verder te verminken, haal ik de essentie steeds naar boven. Bij waarheid ontstond zo een afbeelding die meer waar was dan de eerste afbeelding. Een algemeen idee over waarheid kwam naar voren.

Truth 1

Truth 3


‘Van de scan van Truth 1 maakte ik ook een ruw databestand, dat ik invoerde in geluidssoftware. Het resultaat klinkt dan onvriendelijk voor de meeste oren, als een kapot apparaat, maar ik denk dan: ik kan er wel wat mee. Ik bewerk het verder totdat er uiteindelijk een geheel uitkomt dat voor mij zin heeft. Overigens zonder dat ik er enige persoonlijke expressie mee nastreef, het zijn puur klankomgevingen.

Gossip of Truth

‘Wat is dat, zin? Mijn enige criterium is dat ik een gevoel van waarheid heb als ik het terug luister. Een gevoel van ‘hee, dit is goed’ of ‘nee’, of ‘ik moet er nog iets mee doen’. Wat die elementen zijn van het gevoel, is voor mij raadselachtig. Ik heb niet het idee dat ze atomair en eenvoudig benoembaar zijn.

‘Ik heb wel het idee dat er in mijn werk dingen resoneren, dingen die ik heb meegemaakt, gelezen en gezien, in bijvoorbeeld de natuur. Ze komen op meerdere manieren gesublimeerd naar boven.

‘Het beginpunt van een nieuw werk is bijvoorbeeld de foto van een verkeersbord met een dubbele haarspeldbocht. Ik zag voor het eerst op de Veluwe op een fietstocht die ik op mijn zestiende uit Woerden maakte. Ik was nog nooit in het buitenland geweest. Misschien dat het daarom zo’n indruk op me maakte. Maar ook de vorm is heel esthetisch.

‘Ik krijg wel eens de kritiek dat mijn dat mijn werk eclectisch zou zijn. Ik zou geen eigen stijl hebben. Mijn werk is maar een ratjetoe. Maar stijl is voor een kunstenaar de dood in de pot. Wie een stijl gevonden heeft en daar dan zijn hele leven in blijft werken, kan zich als kunstenaar maar beter begraven. Ik kan mezelf niet herhalen. In mijn werk moet verandering zitten.’