DETONATOR (1) : over ‘Traliewoud’ van Jürgen Smit

Allergieën zijn beperkt, dat is fijn om te merken. Ik krijg regelmatig jeuk van poëzie waar veel familie in voorkomt. Zwijgende vaders, achterbakse moeders, heilige moeders, sterke vaders, dromerige kinderen, dreigende grootouders, stille kinderen, al die gedichten over de jeugd. Onuitsprekelijk vermoeiend.

In de bundel Traliewoud van Jürgen Smit (De Contrabas, 2012) zit veel, heel veel familie en toch kan ik er goed tegen. Jürgen Smit schrijft dan ook niet bepaald familiegedichten vol weemoedige gedachten aan dat huwelijk, dat ene gebaar en meer van dat soort muffe putluchterij. En ook niet zijn het de obligate bloedbaden ten gevolg van vader- en moedermoorden. In ‘het geluid van water’ schrijft hij over water dat zich door verwarmingsbuizen een weg baant: ‘hij herkende er/ telkens weer/ een ander familielid in.’ Die familieleden zijn veel minder concreet aanwezig dan op het eerste gezicht lijkt, zoals de geluiden die hier aan ze worden toegeschreven. De familieleden in Traliewoud zijn aanwezig in vreemde troep die ze achterlieten, of in plotselinge, grimmige verschijningen. Het zijn een soort spoken, die deze uitgebeende poëzie bewonen. In ‘tijdgeest’ wordt er een ansichtkaart gevonden tussen ‘de naturistenblaadjes’ van opa. Berlijn. De mensen op het plein salueren: ‘je zou het zwaaien kunnen noemen / maar zo synchroon een heel plein.’ Referenties aan WO II zijn overigens door de hele bundel te vinden. Waar Jan Arends beweerde ‘gedichten als dunne bomen’ te schrijven, dringt die oorlogssfeer bij Jürgen Smit deze ‘stelling’ van Arends direct binnen: ‘door de bomen / deden vogels je / aan dresden denken.’

Wat vind ik nu zo aantrekkelijk aan deze bundel? Dit is allereerst een dichter die niet op zijn knietjes ligt voor de poëzie, een behoorlijk prettige insteek, vind ik ( ‘naakter / wordt het niet / zo nu & dan een regel /waar niemand /het nut van ziet’). Zijn poëzie is aantrekkelijk vanwege de vreemde combinatie tussen een haperende praattoon en een zekere abstractie, die ergens vrijkomt tussen die ultrakorte regels in die ultrakorte gedichten. Hoe dit precies in zijn werk gaat, is me (nog) niet duidelijk, maar het is de reden waarom ik deze poëzie wil lezen. Neem het gedicht ‘het moet ook altijd weer over’, het is haast een mop, met die punchline en die ‘&’ waar Jürgen Smit dol op is, maar hoe concreet het ook is, toch is het gedicht tegelijkertijd abstract, een soort proefopstelling (een gevoel dat ik ook heb bij het lezen van de gedichten van Jan Arends, Kenneth Koch, C.B. Vaandrager, Frank Koenegracht, Francis Ponge, en weet ik niet wie allemaal –familie van jou, Jürgen?). Goed, dat gedicht ‘het moet ook altijd weer over’ dus, hier in zijn geheel:

‘er staat
een vaas
op tafel

de inhoud
doet jou
aan een kinderlijkje denken

& het maakt niet uit
hoe je het afsnijdt’

Dan is het ook nog zo dat de voortdurende referenties aan oorlog, holocaust en dood Traliewoud een vreemde, fictieve en haast mythologische lading geven. In het gedicht ‘op een boekenmarkt te p.’, een nogal Reviaanse titel, wordt een bundel van Max Croiset gekocht en een gedicht over Mozes in een gaskamer in Auschwitz gelezen. Dan staat er: ‘& vergat / voor even / waar ik was / dat ik helemaal niet joods / & rekende af.’ Ik lees deze gedichten vaak als de stijloefeningen of proefopstellingen van een duistere moppentapper, die probeert de oorlog onderdeel te maken van zijn spookwereld van suggesties (let ook op het niet afmaken van regels zoals ‘dat ik helemaal niet joods’). Als er dus een hoop familie in deze bundel zit, zijn ze bewoners van die haast pervers concrete wereld die voortdurend naar abstractie neigt:

‘verzameling ansichtkaarten 1954-1958
teruggebracht tot één sms-bericht

het mondde
altijd weer uit
in hoesten

& terwijl jij
te davos
van het uitzicht genoot

schoot vader
zichzelf

door moedershoofd

& kijk
we hebben
nog ruimte over’

Door: Maarten van der Graaff