Harry Vaandrager – Doodloper (2)

 

Altijd al heb ik willen rennen op het ritme van de wind. Of op de klots van de zee. Zoals gezegd, het is windstil. De zee ver weg. Het verlangen niet. Verlangen is incest tussen instinct en lafheid. Een verbond tussen driften en teugels. Op dit moment ken ik de staat van mijn verlangens niet. Het is nu de wereld van de voldongen feiten: meter elf of twaalf. Met mezelf alleen, en al doodop, moet ik de myriade van beelden laten stranden. Hoogtijd. De mens neigt om alle beelden te doen versmelten tot dat ene absolute. Het eindbeeld. De waarheid. God. Dat is allemaal niks voor een sprinter. Oe a a, oe a a, oe a a, oe a a, dat is wat ik op mijn spikes aanvoel. Ook al zakken de waarheid en God ter plekke in de modder, oe a a, oe
a a, ik weet ze te moeten laken. Me aanpassen aan degene die ik nu dien te zijn: een sprinter.

Meter veertien is meter negentien geworden. Mijn benen krijgen de geest: ik versnel. Zo lijkt het. Pas op, zakkenrollers, wordt omgeroepen. Wat nieuws. Ook hier gespuis. Mijn sleutel komt weer op. Tot dusver ben ik nog nooit bestolen. Hoewel. Ja, Ada heeft zich ontpopt tot dievegge. Ze heeft me beroofd van haarzelf. Ooit was zij geworden zoals ik haar had willen maken. Ze heeft me altijd dociel in alles behaagd wanneer het mij uitkwam. Ze peupelde nooit. Gesierd met bescheidenheid speelde ze mijn spel mee. Vol overgave. Onderhorig. Zwijgzaam. Want ja, ik wil alles. Niet iets. Alles. Heb ik recht op. Een zaak van natuur. Over die bestemming heeft mijn moeder me al lang geleden de finesses ingefluisterd. Nu zeikt ze mij echter af. In het openbaar zelfs. Uitgespeeld. Schande. De Ada die ik liefhad is weg. Ze heeft mij haarzelf afgetroggeld. Wat doe je eraan? Een hel ligt pal naast de hemel, een liefde vloeit moeiteloos over in weerzin, tederheid verwordt snel tot horror. Dat is wat het is. Helaas of niet. Wellicht is het de list van mijn eenzaamheid, om in een luttele fractie van geluk tot onheil te geraken. Of is het domweg de kringloop van een droom? De verandering van Ada vergelijk ik met de kunsthandel. Je denkt een meesterwerk gekocht te hebben, en het blijkt een vervalsing te zijn. Experts zijn omgekocht. De veiling werkt met doorgestoken kaarten. Die verdomde hormonen ook. Dondert niet. Nu eerst de volgende meters. Die schieten in de lach. Ik niet. Doe mijn best sprinter te zijn. Ieder zijn heugemeug. De baan weigert echter met me te dansen. Al die meters voor mij, ik haat ze. Daarom ren ik door. Haat is mijn motor. Tegen niets in het bijzonder. Meer tegen willekeurig wat zich aandient. Meters in dit geval. En ook tegen mijzelf? Vanochtend voor de spiegel besloot ik niet in één adem met mijn spiegelbeeld te willen sterven. Mijn spiegelbeeld staat onverschillig, onverzoend en dement tegenover me. De spiegel heeft geen benul wie ik ben. Een wezen van een zucht. Iemand zijn, niemand zijn: wat betekent dat? Droom van een schaduw is een mens.

Verrot nog aan toe, bij meter twintig een versperring. De reïncarnatie van een zwijnentrog. Onmogelijk vooruit te komen. De anderen hebben er geen hinder van, stiefelen gewoon door. Mijn nummer, de honderd meter kent geen plot lijkt weer. Ik zie alle spullen en snufjes van Ada op een hoop liggen. Bekers en medailles. Haar dagboeken en paspoort. Fotoalbums en bossen blauwe kunstbloemen. Van indigo tot kobalt. Alle kwarrel bedacht door types die targets moeten halen. Alles heb ik eigenhandig verscheurd. Verwoest. Vertapt en ontwricht. Ja, ik ben de dader. Zonder respijt. Er is te veel. Er is me te veel wereld. Natuurlijk, ik wil, moet het allemaal missen. Zonder gemis geen verlangen. Een schreeuw welt op vanaf de bodem van mijn strot. Een schreeuw die geen taal wil worden. De schreeuw die overblijft nadat mysteries uitgehuppeld zijn. Ik sta voor nar. Sta stil. Sta onoverwinnelijk stil. Leg het loodje. Heb gerend om nergens te komen. Gerend om tot stilstand te komen. Moet het staken: verstoppertje spelen met de meters. De finish zal me nooit vinden. Dit breekt mij op eer ik het weet. Het is vuig, vuiger en vuigst. Hoe kan ik deze beproeving doorstaan? Mijn vege lijf is in opstand tegen de volgende meters. Ik hoor mijzelf spreken: kom kom Ada, snel snel, geef me een fikse teug bezwijmingen. Ik sterf van de dorst. De korsten op mijn lippen springen al open. Op mijn dubbele tong de smaak van het niets. Vraag je: ga er niet met mijn leven vandoor. Nee, ik overdrijf niet.

Illustratie: Ludwig Volbeda

Illustratie: Ludwig Volbeda


Een moroos beeld frommelt zich ondertussen in mijn harses. Zie mijzelf doodrennen in een buitentijds systeem. Word opgejaagd door seconden die me bij iedere pas een optater met ploertendoders bezorgen. De seconden rumoeren dat ik op tijd moet zijn voor de profundis. Welke zeggen ze er niet bij. Week als nat geworden brood is mijn spiermassa. Maar ik moet blijven stoempen. Tot diep in het oneindige. Anders word ik nog straffer afgeranseld. Grijp hem, grijp hem bij zijn kloten ronken de seconden. Het kwijl loopt uit hun monden. Ze blijven hijgerig doorgaan met jennen. Seconden behoren nu eenmaal tot het onsterfelijke ras van de eeuwigheid. Daar maak je niet snel korte metten mee. Desondanks bevalt het systeem mij. Ik zie het als een wiskundige formule: helder, consies, voor iedere kinkel kenbaar en toch in zekere zin totaal abstract. Tot mijn ergernis slaken de seconden nu duistere kreten. Tegelijkertijd besef ik ook het duistere nodig te hebben. Links of rechtsom slaan, een hoek om, uit zicht geraken, dat is wat ik wil. In den blinde desnoods. Zo zit dat. Afgezonderd van de wereld beweeg ik mij in richtingen die ik niet ken. Te veel van zulke beelden huizen in mij. Per direct dien ik ze de huur op te zeggen. Hop hop hop, ze zien zichzelf maar te redden. Op deze manier verbreek ik nooit mijn persoonlijk record. Tot zover is alles redelijk in orde. Amper heb ik het besluit genomen om de beelden te verbannen, of bij meter dertig zie ik opgewacht te worden door een engel. Dat engelen niet bestaan, weet ik. Tenzij ze wel bestaan. Dan beguichelen ze je waar je bijstaat, en halen ze rotstreken met je uit, ook dat weet ik. Ze staat daar heel bevallig te hoelahoepen. Ze zingzegt Velimir Chlebnikov:

   Lach om, lach uit!

   O, barst uit in lachen, lachers!

   O, wat lachen zij lacherig.

   O, lach toch belachend!

   Gelach van lachlustige lachhalzen,

   o lachbuien van lachwekkers, van lachende lacheraars.

   O, begin lachelijk te lachen lachschieters.

   Lach om, lach uit!

 Ze herhaalt het drie, vier keer. Dan zegt ze het gedicht ijzig langzaam op. Haast zalvend. Woord voor woord streelt ze met haar tong. Het is niet de vertaling die ik ooit heb gelezen. Weet ik trouwens niet zeker. Wat maakt het uit, de engel brengt het melodieus en met Schwung ten gehore. Zo’n sopraan heb ik nog nooit gehoord. Mijn hele kosmos is ermee vervuld. Nu eindelijk ben ik overtuigd: engelen bestaan, ook al bestaan ze niet. Dat is normaal. Hoeveel meters er nog braak liggen, het boeit me geen rukkefok meer. Ik moet een pact met haar sluiten. Nee Buddenbrook, je moet ze verdrijven. Nog voordat ik de gevolgen daarvan kan overzien, is ze plots, als was het een verhaal, verdwenen. Vlak voor mijn neus opgelost in een wegstervende lach. De wereld wist zich voor even uit op het punt waar zij verdwijnt. Misschien is ze op weg een graf voor me te graven. Kan het hachelijker? En voilà, het geluk kan niet op. Nog plotser wordt ik doodleuk omsingeld door een horde engelen. Reik naar één van hen, zoals vroeger naar mijn moeders tepels. Lucht, alleen lucht krijg ik in mijn jatten. Kan mezelf ermee oppompen, en met de engelen straks mee wegzweven. Boven de aarde zijn geen kruispunten. Daar kun je niet verdwalen. Wat wil een mens nog meer. Stuk voor stuk zijn ze gesluierd. Zoals een spin tegen een vlieg, zeggen ze in koor: Anton luister goed, we openbaren jou een geheim. Helaas, of juist niet, spreken ze verder in geheimtaal. Een taal in nooit gehoorde klanken. In alle octaven. Het is beslist niet dyslectisch. Of afatisch. Integendeel, mijn gehoorzin wordt scherper en scherper. Ik hoor duidelijk het ademhalen van de aarde, vuur oplaaien, water spetteren en de nacht zwart kreunen. Ik twijfel: van genot of pijn. Vertel mij wat, nu zal ik nooit meer zijn die ik was. Heerlijk, ik word weer de oude. Alleen eeuwen ouder.


Het eerste deel van ‘Doodloper is hier te lezen 

Harry Vaandrager (1955) publiceerde in 1978 de dichtbundel Langs toendra’s bij De Bezige Bij. In 2010 verscheen de bundel Wat telt is van niets gemaakt bij Nijgh & Van Ditmar. In 2011 publiceerde Vaandrager de roman Aan barrels bij het Balanseer, in samenwerking met Nijgh & Van Ditmar. Hij werkt aan de verhalenbundel Koprot.

Ludwig Volbeda studeert aan de Sint Joost in Breda. Op facebook is meer tekenwerk te bewonderen, onder de vlag ‘Ludwigs Machine”: sluit je aan.   Zie voor meer werk www.ludwigvolbeda.nl.